URM – enkele bruggen te ver

In april dit jaar heeft minister Koolmees van SZW de ministeriële regeling gepubliceerd over de uniforme rekenmethodiek (URM). Vanaf 1 juli 2018 kan de URM gebruikt worden voor het vaststellen van de risicohouding bij premieovereenkomsten en variabele uitkeringen. Alec Balledux AAG vindt de regeling in zijn huidige vorm een slecht idee en is bezorgd over de effecten op het gebied van deelnemersvertrouwen en uitvoeringskosten. Hij deelde zijn zorgen inmiddels met het ministerie en de Pensioenfederatie. Hieronder zijn betoog.

URM staat voor Uniforme Reken Methode t.b.v. goede pensioencommunicatie maar maakt daar, zoals hieronder toegelicht, mijns inziens bijna niets van waar.

De gedachte is dat de onzekerheid in het huidige pensioencontract, met slechte en goede kansen, alsmede de toekomstige koopkrachteffecten worden gecommuniceerd. Daar valt –tot op zekere hoogte- ook wel wat voor te zeggen omdat in het verleden teveel voorbijgegaan is aan de negatievere scenario’s, de risico’s van langer leven, lage rente en minder goede rendementen. Probleem is echter dat er bij de uitwerking van URM een wetenschappelijke benadering is gekozen die nauwelijks stilstaat bij de belevingswereld van “de gewone deelnemer”. Daar komt nog bij dat er, onder meer vanuit de modelmatige kant, serieuze bezwaren aan te dragen zijn. Het is bovendien voor toegezegde pensioenen (DB) schieten met een kanon op een mug.

De huidige uitwerking voor DB-pensioencontracten en de modellering daarvan is verre van compleet: in het slechte scenario valt er nog wel wat te zeggen voor de gekozen benadering. Dan worden de aanspraken gekort. In de gunstige scenario’s is het contract en dus ook het model echter niet voldoende uitgewerkt. Door fiscale beperkingen ontstaan er nauwelijks plussen bij de deelnemers en stijgen de dekkingsgraden tot ongekende hoogten. Het lijkt niet heel opportuun om dit met de huidige lage rentestanden aan de orde te stellen, maar de te communiceren waardes leiden tot een erg scheef beeld.
Bijvoorbeeld:

  • Wanneer het tegenvalt krijgt u 80% van uw bereikbare aanspraak;
  • Wanneer het meevalt krijgt u 101% van uw bereikbare aanspraak.

Natuurlijk zullen sommige fondsen met recent gegeven kortingen en/of een achterstand in indexatie hier betere cijfers kunnen communiceren, maar een gewone, niet in de materie ingevoerde, werknemer zal op basis van het bovenstaande al snel concluderen dat het pensioenfonds hem opzadelt met de negatieve risico’s maar dat hij niet meedeelt met de positieve. Een conclusie van de deelnemer die slecht is voor het beeld van en het vertrouwen in het pensioenfonds. Onterecht omdat dit pensioenfonds er weinig of niets aan kunnen doen, maar legt u het maar even uit.

Geredeneerd vanuit de gemiddelde deelnemer, die nauwelijks financieel onderlegd is, is URM ook een echt buitenbeentje. Geen enkele andere sector kreeg zulke complexe voorschriften voor haar communicatie. Waar andere sectoren in hun commerciële uitingen ook zachte beloftes mogen doen, winkeliers mogen extra garantie verkopen die meestal niet nodig is, telecomaanbieders zwijgen over de rente begrepen in hun eveneens verzwegen lening (ook een financieel product) aan telefoon kopers, daarmee vele jongeren duperend die het nieuwste van het nieuwste willen maar niet eens begrijpen dat ze een lening afsluiten. Maar pensioenfondsen zouden gedwongen moeten worden om een hele cijferbrij te presenteren, die vermoedelijk door meer dan 95 procent van de deelnemers niet begrepen zal worden. Je vraagt je bijna af wat pensioenfondsen verkeerd gedaan hebben.

Gesuggereerd wordt dat URM:

  • Bijdraagt aan begrip
  • Optelbaar is
  • Uniform is
  • Betaalbaar is

In mijn bescheiden visie is het geen van allen:

  • Naast de al beschikbare bereikbare en opgebouwde pensioenen voegen we nog eens een drievoud aan extra getallen toe. Zal de deelnemer het daardoor beter gaan begrijpen?
  • De tot op heden gecommuniceerde bereikbare aanspraak is ook een verwachting, namelijk de basering op een gelijkblijvend pensioensalaris en AOW. Hoe moet een deelnemer het verschil begrijpen?
  • Zijn het 5 procent en het 95 procent percentiel dan zo vanzelfsprekend dat die vermeld moeten worden? Wetenschappers kunnen iets met percentielen, een gemiddelde deelnemer kan er niets mee!
  • De gepretendeerde optelbaarheid is een farce: bij het ene pensioenfonds zal een slecht resultaat overeenkomen met scenario 789, bij een ander met scenario 1987. Door de slechtste resultaten bij elkaar te tellen ontstaat een slechter resultaat voor het totaal dan het 95% percentiel voor beiden gecombineerd dat wellicht overeenkomt met scenario 1234.
  • In de boodschap combineren we ook nog eens twee onzekerheden door elkaar: onzekerheid op het pensioenresultaat en onzekerheid met betrekking tot koopkracht. Hoe gaat een deelnemer dat begrijpen.
  • De voorgeschreven vervroeging/uitstel naar AOW leeftijd is begrijpelijk maar wat beslist de nauwkeurigheid verstoort is, is dat daarvoor de huidige (rentegevoelige) tabellen gelden die dus niet aansluiten op de scenario’s. Die nauwkeurigheid is natuurlijk ook al geweld aangedaan door de “mapping” naar slechts twee beleggingscategorieën.
  • Er zijn tot op heden al meer dan twee methoden gedefinieerd. Eén met complete doorrekening van 120.000 jaarscenario’s en een ander met een wat slimmere bepaling van “koopkrachtvectoren”. Het is hoe dan ook een verre van uniforme rekenmethode geworden.
  • De ICT complexiteit is enorm. Bij de communicatie worden nu gegevens uit een systeem onttrokken en die worden digitaal of op schrift gepresenteerd. Daar wordt bij URM een grote rekenschil tussen geschoven. Iedere ICT‑deskundige van een pensioenfonds zal de verwachting uitspreken dat de implementatie van URM veel meer zal kosten dan nu wordt ingeschat. De uitgesproken verwachting is dat voor honderden uitvoeringsorganen tezamen de implementatiekosten € 23 miljoen zullen bedragen. Dat is minder dan de recente strop van € 59 miljoen bij de NVWA, en dat is slechts één (overheids)orgaan. Hoe reëel is dit allemaal en is dit wel een wenselijke manier om geld van de deelnemers te besteden?

Zou de gemiddelde deelnemer echt slechter geïnformeerd zijn wanneer wij hem melden dat het pensioen in een slecht geval 10% lager (of 2% per prognosejaar) kan uitvallen?

Een laatste kritiekpunt in de wetenschappelijke benadering die men kiest is dat men, net als bij de Haalbaarheidstoets (HBT), lijkt te leiden aan modelleringswaan. Het tot 60 jaar in de toekomst voorspellen van de economie heeft voor mij evenveel waarde als voor 6 maanden vooruit voorspellen van het weer. Het zijn in wiskundige zin beide zogenaamde “chaotische” (dynamische) processen en niet op dergelijke termijnen betrouwbaar te voorspellen.

Het is al met al een methodiek door de elite gemaakt voor de (zeer beperkte) elite van deelnemers die er iets van zullen kunnen begrijpen. De kosten die daarvoor gemaakt worden zijn niet alleen in financiële zin hoog, maar zijn dat ook in termen van vertrouwen en begrip bij “gewone” deelnemers. De risico’s die deze deelnemers gedurende hun levensloop ondergaan zijn vaak van hele andere aard: ziekte, ontslag, carrière, scheiding. Aan al deze aspecten wordt volledig voorbijgegaan.

Mijn alternatief:

Stap af van de presentatie van 6 extra uitkomsten voor alle deelnemers. Met name het positieve en het verwachte scenario dragen te weinig bij aan begrip en vertrouwen. Toon naast de bestaande uitkomsten de uitkomsten voor een bepaald negatief scenario, maar alleen indien de deelnemer relatief kort (bijvoorbeeld 20 jaar) voor zijn pensioendatum zit.

Dit specifieke scenario wordt daarbij elk kwartaal (en voor elke periode tot en met 20 jaar) bij de publicatie van de economische scenario’s vastgesteld door DNB voor enerzijds opbouwende aanspraken en anderzijds opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen.

Leg de doorrekening van het scenario daar waar die hoort en niet bij de pensioenfondsen zelf. Draag daartoe de uitvoerders van de HBT voor pensioenfondsen op (middels de te verstrekken informatie) om de tabel van “koopkrachtvectoren” te bepalen tegelijk met het uitvoeren van de HBT, dat is dan een kleine moeite. Die tabel wordt dan ook gegarandeerd aangeleverd aan de pensioenuitvoerder die alleen die tabel dient te betrekken in de rekenarij voor de communicatie en dat komt eenvoudigweg neer op het vermenigvuldigen van de beschikbare aanspraak met een getal uit die tabel. Sta pensioenfondsen toe dat daarbij de cijfers van de laatste HBT worden gebruikt.

Voordelen:

De voordelen van bovenstaande werkwijze zijn legio. Als eerste wordt een en ander (in ieder geval binnen de pensioenwereld) echt uniform waardoor de resultaten voor een deelnemer goed optelbaar zijn.  Ten tweede communiceert het pensioenfonds zo een boodschap die de gemiddelde deelnemer wel kan begrijpen. Ten derde wordt het pensioenfonds niet gedwongen een onlogische en inconsistente boodschap te communiceren met alle afbreukrisico’s van dien.

Het scheelt bovendien minimaal 23 miljoen aan ICT kosten die de pensioenfondsen op een andere manier kunnen aanwenden omdat het veel beter uitvoerbaar en dus goedkoper is. En last but not least wordt het veel beter begrijpbaar voor een deelnemer, die met de extra informatie ook alleen wordt geconfronteerd als zijn of haar pensioen steeds meer in zicht komt.

Samenvattend zou ik willen oproepen tot bezinning. Het geheel aan voorgenomen regelgeving schiet thans volstrekt haar doel voorbij. Ook hier geldt: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.

Als er dan toch bezint zou worden en de HBT regelgeving mee wordt aangepast zou het heel zinvol zijn om het koopkrachtkader met referentie per 1-1-2015 (artikel 30) in de HBT regelgeving aan te passen. Mijns inziens lopen URM en HBT hier ook niet synchroon.

Op persoonlijke titel,

Alec Balledux, AAG

Actuaris op het raakvlak van ICT en actuariaat bij AxyWare B.V.

Brexit – Much ado about nothing

Disunited Kingdom

Brexit JohnsonHet Verenigd Koninkrijk (hierna: VK) heeft voor Brexit gekozen, maar uit de uitslag komen vooral drie dingen naar voren:

  1. Close-call: een kleine meerderheid stemde voor Brexit waaruit blijkt dat een deel van de bevolking nog steeds vertrouwen heeft in het Europese project
  2. Jong vs oud: vooral de ouderen stemden voor de Brexit. Onduidelijk is of dit door sentimenten is ingegeven naar het oude Empire of dat hier rationale grondslagen achter liggen
  3. Grote regionale verschillen: waar Schotland, Noord-Ierland en Londen voorstemden, daar stemde de rest van het land tegen. De manier waarop de EU ervaren wordt, verschilt kennelijk sterk per regio

Welke gevolgen heeft deze Brexit voor de VK, Nederland, Curaçao en uiteindelijk EU?

VK

De oorsprong van het VK ligt in de 1707 Acts of Union tussen de koninkrijken van Engeland&Wales, en Schotland. Alhoewel deze Unie nu al meer dan drie eeuwen bestaat, heeft Schotland een deel van zijn onafhankelijkheid behouden: voorbeelden hiervan zijn een eigen wetgeving, parlement en centrale bank. Een eerste poging om tot Schotse onafhankelijkheid te komen door een referendum in september 2014 was niet succesvol, maar toonde aan dat er aanzienlijke steun was (45%) voor onafhankelijkheid.

De uitslag van de Brexit verscherpt de verhoudingen in het VK. Het merendeel van Schotland heeft een voorkeur voor de EU uitgesproken en voelt nu dat zijn stem niet is meegenomen. Dit plaatst de voorstanders van Brexit voor een lastig dilemma. Hun argument tegen de EU was onder andere gebaseerd op een gebrek aan democratie: hoe democratisch is het VK echter als de Schotse voorkeur wordt genegeerd?

De uitslag van Londen vs de rest van Engeland laat ook zien dat de voordelen van EU en internationalisering op een volstrekt andere manier ervaren worden. Na de overwinning van Margeret Thatcher in 1979 en de switch naar een meer kapitalistische samenleving is de ongelijkheid in Engeland aanzienlijk toegenomen: de Gini index die ongelijkheid meet toont een waarde van rond de 24 in 1979 naar 34 in 2008[1]. Vooral de sterke stijging in de huisprijzen in Londen[2] toont aan dat de welvaart stijging niet evenredig over het land is verdeeld: hoewel de voordelen van de EU en globalisering voor Londen duidelijk waren, was dit een stuk minder voor de rest van Engeland.

Nederland

Enkele opportunisten waaronder de PVV en de SP gebruikten de Brexit als pleidooi van een Nexit: Nederland zou het Britse voorbeeld moeten volgen en een referendum was hiervoor een prima methode. Helaas versimpelen referenda de onderliggende issues: het is nog steeds niet duidelijk of de Brexit stemmers gemotiveerd zijn door een gebrek aan democratie in Brussel, angst voor emigratie stromingen, of menen dat het VK te veel geld aan Brussel moet afdragen. Allemaal issues die ook zonder een referendum besproken en opgelost kunnen worden. De Nederlandse en Franse tegenstem tegen de Europese grondwet van 2005 is hiermee in lijn: was deze tegenstem gebaseerd op inhoudelijke argumenten, of een tegenstem tegen de politiek in het algemeen en het zittende kabinet in het bijzonder? Of was het de frustratie van Henk en Ingrid om niet in Brussel gehoord te worden? Het argument van “niet gehoord worden in Brussel” is nogal opmerkelijk: ondanks dat een overgroot deel van de Nederlandse bevolking tegen de oorlog in Irak van 2003 was, belette dit het kabinet niet om steun te geven aan de coalitie van aanvallers. Desondanks zijn er geen politieke partijen opgestaan die toen geklaagd hebben dat Den Haag niet naar hen luistert en bepleiten om meer macht aan de provincies te geven.  Kritiek op Brussel is ook van toepassing op Den Haag (de pot verwijt de ketel dat die zwart ziet).

Door de onverwachte uitslag in 2005, lijkt het onwaarschijnlijk dat een Nederlands kabinet zijn vingers zal branden aan een bindend referendum voor een in of out-scenario.

De markten

Het effect van de Brexit op de markten was significant: de pond verloor de dag na het referendum rond de 10% ten opzichte van de dollar. Het is onduidelijk wat hierachter de onderliggende redenen zijn. Het VK zal in de toekomst een andere rol krijgen maar dit kan met nieuwe verdragen worden opgelost. Ook maakt het VK geen deel uit voor de euro zone zodat er geen ingewikkeld proces nodig is om van munt te wisselen. De fundamenten achter de economische groei en politieke stabiliteit van zowel het VK als de EU zijn door de Brexit niet gewijzigd. De meest logische verklaring voor deze commotie is dat er nu een tijdelijke periode van onzekerheid zal zijn, iets waar beleggers niet van houden. Ook hadden veel beleggers gespeculeerd op een Bremain en kwamen er bedrogen uit. Op de lange termijn is het veel lastiger om de effecten in te schatten: het VK zou een soortgelijke rol als Zwitserland kunnen vervullen en net zoals de Zwitserse frank zou de Britse pond een veilig alternatief kunnen zijn in een volgende euro crisis. De reactie van de markten lijkt daarom meer op hysterie gebaseerd dan een fundamentele analyse.

It takes two to tango

Al met al is de Brexit vooral een afspiegeling van de issues die er binnen het VK spelen: kennelijk denken regio’s en generaties anders over issues rondom globalisering en de rol van de EU. Een nieuw referendum over Schotse onafhankelijkheid is daarom niet uit te sluiten. Op de korte termijn leidt dit tot een periode van onzekerheid en nieuwe verhoudingen, maar op de lange termijn zullen de effecten meevallen: handels embargo’s of (burger)oorlogen zijn niet waarschijnlijk en een nieuw evenwicht zal gevonden worden.

Voor de EU is het vooral belangrijk om de onderliggende redenen van de Brexit te analyseren: was hier sprake van een ongelukkig huwelijk of zijn er fundamentele issues met de huidige EU opzet? Ook moeten Europese leiders nu opstaan om de prestaties van het Europese project meer te benadrukken: landen zoals Portugal, Spanje en Griekenland die 50 jaar geleden nog dictaturen waren, zijn nu volwaardige democratieën. Europa beleeft nu een periode van 70 jaar zonder oorlog, vanuit historisch oogpunt een unieke gebeurtenis. Deze prestaties zijn wellicht niet in financiële termen uit te drukken, maar daarom niet minder belangrijk. Kiezers zien deze feiten vaak over het hoofd omdat zij in de waan van de dag zich meer bewust zijn van Griekse wanbetalers dan een staat die pas recent op democratische grondslagen wordt geregeerd.

Cexit

En wat kan Curaçao van de Brexit leren? Iedere unie of samenwerkingsverband staat of valt net zoals ieder huwelijk met de tevredenheid van beide partijen. Een geforceerde samenwerking (bv Tsjecho-Slowakije) faalt op den duur omdat een van de partijen zich niet gehoord voelt. Curaçao heeft in ons Koninkrijk ook een samenwerkingsverband en menig politicus refereert naar de voordelen die dit oplevert. Als echter deze voordelen slechts door een beperkt deel van bevolking genoten worden, bestaat ook hier het risico van onbegrip. Zowel de economische voordelen, als de politieke stabiliteit zou vaker door politici aan burgers duidelijk gemaakt moeten worden en gedeeld moeten worden over alle lagen van de bevolking.

[1] https://www.equalitytrust.org.uk/how-has-inequality-changed

[2] http://monevator.com/historical-uk-house-prices/

Het Einde van Rendementdenken

Marc-Simon-VisserVorig jaar konden jullie in onze nieuwsbrief lezen over het idee voor pensioen in coöperatief verband. Dit idee is inmiddels verder uitgewerkt in het Initiatief “SamenLeven”.  SamenLeven krijgt vorm in regionale coöperaties en wordt gevormd door ZZP-ers en kleine ondernemers die gezamenlijk een inkomensvoorziening voor later willen vormen. SamenLeven wordt een verbindende kracht in de regio. Bij het doen van investeringen is het uitgangspunt de (regionale) reële economie. Dit betekent investeren in zichtbare en tastbare objecten zoals (coöperatieve) woon/zorgcombinaties, wind- en zonne-energie, voedselbossen of regionale infrastructuur. Hierdoor krijgt de deelnemer aan SamenLeven een sterkere binding met zijn directe omgeving en de mogelijkheid om door het maken van gezamenlijke keuzes de gewenste regionale ontwikkelingen in gang te zetten. SamenLeven vertaalt op deze manier de eisen en wensen die gesteld worden aan de eigen leefomgeving door naar concrete projecten. Dit sluit naadloos aan bij de steeds grotere behoefte van burgers om betrokken te worden en medebeslisser te zijn in hun regio.

Eén van de initiatiefnemers van SamenLeven is actuaris Marc Simon Visser. Geïnspireerd door het eigen initiatief en geprikkeld door een presentatie op een congres schreef hij het volgende artikel.

Een Belgisch gat in de Nederlandse pensioendijk

hansjebrinkerWerkgevers die de uitkomsten van de Nederlandse pensioendiscussie niet kunnen of willen afwachten zoeken ‘vluchtroutes’. Regelmatig verschijnen er berichten over Nederlandse bedrijven die hun pensioenen in België willen onderbrengen of dat reeds hebben gedaan. Ruud Junge, vennoot bij Stattler & Waldorff, schetst het hoe en waarom en heeft er een mening over. Lees hier de bijdrage van Ruud.

Vertrouwen in Pensioenfonds centraal

Van DedemDe tijd van een rotsvast vertrouwen in pensioenfondsen hebben we achter ons gelaten. Het gebrek aan vertrouwen bedreigt de continuïteit van ons pensioenstelsel. Wat is het belang van vertrouwen? Hoe maak je vertrouwen waar en hoe bevorder je dit? Coen van Dedem geeft zijn visie hierop. Lees hier het gehele artikel.

Over Van Dedem

Als secretaris van de werkgroep Integriteit Pensioenfondsen – onder voorzitterschap van Frijns – sprak Van Dedem met vele betrokken uit de pensioensector en daarbuiten over integriteit. Hij linkt integriteit aan vertrouwen en geeft daarmee een nieuwe dimensie aan het begrip integriteit. Van Dedem was een van de sprekers op Actuarisdag 2015. Recent schreef hij samen met Jos Berkemeijer een artikel dat werd gepubliceerd in Pensioen Bestuur & Management. Vanuit zijn organisatie DEDEM biedt hij ondersteuning bij de voorbereiding van besluiten, inventarisatie van de rol van vertrouwen in organisaties en de risico’s die daarbij worden gelopen.

Wet van de remmende voorsprong

NokiaUit het jaarlijkse onderzoek van Studie en Werk 2015 komt actuaris wederom naar voren als de beste starters-functie. En de uitkomsten in Nederland staan niet op zich zelf: ook onderzoeken in Amerika bevestigen dit beeld. Toch zijn er ontwikkelingen die het toekomstperspectief van de Nederlandse actuaris minder rooskleurig laten lijken.

Welke ontwikkelingen zijn dit en wat kunnen we eraan doen? Een publicatie door Servaas Houben. Lees verder.

Clarity before Solvency

ClarityVorige maand bracht de AAE een discussion paper uit met als titel: “Clarity before Solvency”. Het paper gaat over de toepassing van marktconsistentie voor Europese pensioenfondsen. Falco Valkenburg was als voorzitter van de werkgroep zeer nauw betrokken bij de totstandkoming van dit paper. Hij ziet ook nadrukkelijk ‘parallellen met het thema van aankomende Actuarisdag. Zeker in het 2e deel waar meer aandacht wordt gegeven aan de menselijke kant – Comprehension and Conciliation.’ Met dit paper wil de AAE een discussie op gang brengen over een aantal technische issues rondom de toepassing van een marktconsistent framework voor pensioenfondsen. Met daarbij ook nadrukkelijk aandacht voor de sociale consequenties. Hier kunt u het volledige paper lezen.

 

Pensioen in coöperatief verband

Arnoud RingelbergNederland staat aan de vooravond van een herziening van het pensioenstelsel. Welhaast een historische gebeurtenis. Op 20 februari adviseerde de Sociaal Economisch Raad (SER) aan de Staatssecretaris het model van een ‘Persoonlijk Pensioenvermogen met Collectieve Risicodeling’ (hierna: PPCR). De SER vindt dit een ‘interessante maar onbekende’ optie om een herzien pensioenstelsel langs vorm te geven. Hierdoor ontstaat een efficiënter stelsel met meer keuzevrijheid voor individuen en ondernemingen. Verzekerden moeten zich zo meer eigenaar gaan voelen van hun pensioenvermogen. Auteurs: Arnoud Ringelberg, Dennis Kerkhoven en Onno van Bekkum stellen daar, gebaseerd op de PPCR, een alternatief tegenover waarbij verzekerden daadwerkelijk eigenaar worden. Met de coöperatie als organiserend vehikel en mogelijk een regionale pensioencoöperatie voor ZZP’ers als proeftuin.

<<Lees hier het hele artikel>>

Wij spraken Arnaud Ringelberg vlak voor de publicatie:

Hoe kwam je op het idee om pensioen in coöperatieve vorm te onderzoeken? “In 2012 werkte ik aan mijn thesis voor Bedrijfskunde. Het onderwerp daarvan was governance modellen voor pensioenfondsen. In die tijd kwam ik in contact met Onno van Bekkum, gepromoveerd op het onderwerp coöperaties. In een gesprek met hem over de achtergronden van de coöperatie ontdekten we samen dat coöperaties veel gelijkenissen hebben met pensioenfondsen. In mijn thesis heb ik geopperd om vervolgonderzoek te doen naar de geschiktheid van coöperaties voor uitvoering van pensioenen.

Waarom ging je dan juist nu verder met het concept? “Het idee heeft een paar jaar gesluimerd totdat van Netspar hun voorstel kwam voor de blauwdruk van een pensioenstelselherziening: de persoonlijke pensioenrekening met collectieve risicodekking. Ik ben toen opnieuw gaan nadenken over het concept en kwam tegelijkertijd in contact met Jan Tamerus, onder andere lid van de pensioencommissie gelieerd aan de SER. De SER heeft in het advies van 20 februari aangegeven verder onderzoek te gaan doen naar de geschiktheid van het ‘persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodekking’ als basis voor een stelselvernieuwing. De variant lijkt inhoudelijk sterk op de Netsparvariant. Ik ben begin van het jaar samen met Onno het concept verder gaan ontwikkelen.”

Je noemt de gebiedscoöperatie Rivierenland, wat is daarvan de achtergrond? “Onno bracht mij in contact met Dennis Kerkhoven die bezig is met de opzet van de gebiedscoöperatie Rivierenland. Kort gezegd is deze coöperatie opgezet om binnen de regio Rivierenland een samenwerkingsverband van ZZP’ers en klein MKB op te zetten, algemeen gesteld om gemeenschappelijk voordeel te behalen. Tegelijkertijd is het de bedoeling dat een bijdrage wordt geleverd aan de ontwikkeling van de regio. In combinatie met de SER variant voor een stelselvernieuwing die ik zojuist noemde, denken wij de coöperatie uit te kunnen breiden met pensioenuitvoering. Juist de coöperatie biedt uitstekende mogelijkheden om eigendomsrechten helder te organiseren en leden van de coöperatie voldoende zeggenschap over hun persoonlijke én collectieve pensioenpot te geven. Er zit toch een collectief tintje aan vanwege de gewenste risicodekking. Hoe dit technisch uitgevoerd kan worden zoeken we in de komende weken verder uit. We zijn blij dat we actuaris Marc Simon Visser aan ons team hebben kunnen toevoegen om te helpen bij het inhoudelijke werk.”

<<Lees hier het hele artikel>>

Verlos ons van Europese inmenging

Verlos ons jpeg 3x2Gerard van ’t Hoff schreef samen met Henk Jan Strang een artikel waarin zij hun zorg delen over het proces rondom de Europese Pensioenfondsenrichtlijn, IORP II. Zij pleiten hierin voor minder regelgeving en meer Europese samenwerking op basis van interactie en dialoog. Het artikel werd geplaatst in het Financieele Dagblad van 22 december 2014. Lees hier het hele artikel.

Pensioenfonds-Killers

Pensioenfondskillers Afbeelding“Wetsvoorstellen voor het nieuwe FTK zullen leiden tot exorbitante kosten in de uitvoering en uiteindelijk tot het einde van menig pensioenfonds.” Alec Balledux AAG, specialist in de uitvoering van pensioenregelingen en ICT, zet de gevolgen op een rij. Hij benaderde hiermee ook de politiek, in de hoop dat het wetsvoorstel nog kan worden aangepast danwel dat pensioenfondsen meer tijd krijgen voor de invoering hiervan. Tot nu toe nog zonder resultaat. De hoop is nu gevestigd op de Eerste Kamer. Lees hier de analyse van Balledux.