URM – enkele bruggen te ver

In april dit jaar heeft minister Koolmees van SZW de ministeriële regeling gepubliceerd over de uniforme rekenmethodiek (URM). Vanaf 1 juli 2018 kan de URM gebruikt worden voor het vaststellen van de risicohouding bij premieovereenkomsten en variabele uitkeringen. Alec Balledux AAG vindt de regeling in zijn huidige vorm een slecht idee en is bezorgd over de effecten op het gebied van deelnemersvertrouwen en uitvoeringskosten. Hij deelde zijn zorgen inmiddels met het ministerie en de Pensioenfederatie. Hieronder zijn betoog.

URM staat voor Uniforme Reken Methode t.b.v. goede pensioencommunicatie maar maakt daar, zoals hieronder toegelicht, mijns inziens bijna niets van waar.

De gedachte is dat de onzekerheid in het huidige pensioencontract, met slechte en goede kansen, alsmede de toekomstige koopkrachteffecten worden gecommuniceerd. Daar valt –tot op zekere hoogte- ook wel wat voor te zeggen omdat in het verleden teveel voorbijgegaan is aan de negatievere scenario’s, de risico’s van langer leven, lage rente en minder goede rendementen. Probleem is echter dat er bij de uitwerking van URM een wetenschappelijke benadering is gekozen die nauwelijks stilstaat bij de belevingswereld van “de gewone deelnemer”. Daar komt nog bij dat er, onder meer vanuit de modelmatige kant, serieuze bezwaren aan te dragen zijn. Het is bovendien voor toegezegde pensioenen (DB) schieten met een kanon op een mug.

De huidige uitwerking voor DB-pensioencontracten en de modellering daarvan is verre van compleet: in het slechte scenario valt er nog wel wat te zeggen voor de gekozen benadering. Dan worden de aanspraken gekort. In de gunstige scenario’s is het contract en dus ook het model echter niet voldoende uitgewerkt. Door fiscale beperkingen ontstaan er nauwelijks plussen bij de deelnemers en stijgen de dekkingsgraden tot ongekende hoogten. Het lijkt niet heel opportuun om dit met de huidige lage rentestanden aan de orde te stellen, maar de te communiceren waardes leiden tot een erg scheef beeld.
Bijvoorbeeld:

  • Wanneer het tegenvalt krijgt u 80% van uw bereikbare aanspraak;
  • Wanneer het meevalt krijgt u 101% van uw bereikbare aanspraak.

Natuurlijk zullen sommige fondsen met recent gegeven kortingen en/of een achterstand in indexatie hier betere cijfers kunnen communiceren, maar een gewone, niet in de materie ingevoerde, werknemer zal op basis van het bovenstaande al snel concluderen dat het pensioenfonds hem opzadelt met de negatieve risico’s maar dat hij niet meedeelt met de positieve. Een conclusie van de deelnemer die slecht is voor het beeld van en het vertrouwen in het pensioenfonds. Onterecht omdat dit pensioenfonds er weinig of niets aan kunnen doen, maar legt u het maar even uit.

Geredeneerd vanuit de gemiddelde deelnemer, die nauwelijks financieel onderlegd is, is URM ook een echt buitenbeentje. Geen enkele andere sector kreeg zulke complexe voorschriften voor haar communicatie. Waar andere sectoren in hun commerciële uitingen ook zachte beloftes mogen doen, winkeliers mogen extra garantie verkopen die meestal niet nodig is, telecomaanbieders zwijgen over de rente begrepen in hun eveneens verzwegen lening (ook een financieel product) aan telefoon kopers, daarmee vele jongeren duperend die het nieuwste van het nieuwste willen maar niet eens begrijpen dat ze een lening afsluiten. Maar pensioenfondsen zouden gedwongen moeten worden om een hele cijferbrij te presenteren, die vermoedelijk door meer dan 95 procent van de deelnemers niet begrepen zal worden. Je vraagt je bijna af wat pensioenfondsen verkeerd gedaan hebben.

Gesuggereerd wordt dat URM:

  • Bijdraagt aan begrip
  • Optelbaar is
  • Uniform is
  • Betaalbaar is

In mijn bescheiden visie is het geen van allen:

  • Naast de al beschikbare bereikbare en opgebouwde pensioenen voegen we nog eens een drievoud aan extra getallen toe. Zal de deelnemer het daardoor beter gaan begrijpen?
  • De tot op heden gecommuniceerde bereikbare aanspraak is ook een verwachting, namelijk de basering op een gelijkblijvend pensioensalaris en AOW. Hoe moet een deelnemer het verschil begrijpen?
  • Zijn het 5 procent en het 95 procent percentiel dan zo vanzelfsprekend dat die vermeld moeten worden? Wetenschappers kunnen iets met percentielen, een gemiddelde deelnemer kan er niets mee!
  • De gepretendeerde optelbaarheid is een farce: bij het ene pensioenfonds zal een slecht resultaat overeenkomen met scenario 789, bij een ander met scenario 1987. Door de slechtste resultaten bij elkaar te tellen ontstaat een slechter resultaat voor het totaal dan het 95% percentiel voor beiden gecombineerd dat wellicht overeenkomt met scenario 1234.
  • In de boodschap combineren we ook nog eens twee onzekerheden door elkaar: onzekerheid op het pensioenresultaat en onzekerheid met betrekking tot koopkracht. Hoe gaat een deelnemer dat begrijpen.
  • De voorgeschreven vervroeging/uitstel naar AOW leeftijd is begrijpelijk maar wat beslist de nauwkeurigheid verstoort is, is dat daarvoor de huidige (rentegevoelige) tabellen gelden die dus niet aansluiten op de scenario’s. Die nauwkeurigheid is natuurlijk ook al geweld aangedaan door de “mapping” naar slechts twee beleggingscategorieën.
  • Er zijn tot op heden al meer dan twee methoden gedefinieerd. Eén met complete doorrekening van 120.000 jaarscenario’s en een ander met een wat slimmere bepaling van “koopkrachtvectoren”. Het is hoe dan ook een verre van uniforme rekenmethode geworden.
  • De ICT complexiteit is enorm. Bij de communicatie worden nu gegevens uit een systeem onttrokken en die worden digitaal of op schrift gepresenteerd. Daar wordt bij URM een grote rekenschil tussen geschoven. Iedere ICT‑deskundige van een pensioenfonds zal de verwachting uitspreken dat de implementatie van URM veel meer zal kosten dan nu wordt ingeschat. De uitgesproken verwachting is dat voor honderden uitvoeringsorganen tezamen de implementatiekosten € 23 miljoen zullen bedragen. Dat is minder dan de recente strop van € 59 miljoen bij de NVWA, en dat is slechts één (overheids)orgaan. Hoe reëel is dit allemaal en is dit wel een wenselijke manier om geld van de deelnemers te besteden?

Zou de gemiddelde deelnemer echt slechter geïnformeerd zijn wanneer wij hem melden dat het pensioen in een slecht geval 10% lager (of 2% per prognosejaar) kan uitvallen?

Een laatste kritiekpunt in de wetenschappelijke benadering die men kiest is dat men, net als bij de Haalbaarheidstoets (HBT), lijkt te leiden aan modelleringswaan. Het tot 60 jaar in de toekomst voorspellen van de economie heeft voor mij evenveel waarde als voor 6 maanden vooruit voorspellen van het weer. Het zijn in wiskundige zin beide zogenaamde “chaotische” (dynamische) processen en niet op dergelijke termijnen betrouwbaar te voorspellen.

Het is al met al een methodiek door de elite gemaakt voor de (zeer beperkte) elite van deelnemers die er iets van zullen kunnen begrijpen. De kosten die daarvoor gemaakt worden zijn niet alleen in financiële zin hoog, maar zijn dat ook in termen van vertrouwen en begrip bij “gewone” deelnemers. De risico’s die deze deelnemers gedurende hun levensloop ondergaan zijn vaak van hele andere aard: ziekte, ontslag, carrière, scheiding. Aan al deze aspecten wordt volledig voorbijgegaan.

Mijn alternatief:

Stap af van de presentatie van 6 extra uitkomsten voor alle deelnemers. Met name het positieve en het verwachte scenario dragen te weinig bij aan begrip en vertrouwen. Toon naast de bestaande uitkomsten de uitkomsten voor een bepaald negatief scenario, maar alleen indien de deelnemer relatief kort (bijvoorbeeld 20 jaar) voor zijn pensioendatum zit.

Dit specifieke scenario wordt daarbij elk kwartaal (en voor elke periode tot en met 20 jaar) bij de publicatie van de economische scenario’s vastgesteld door DNB voor enerzijds opbouwende aanspraken en anderzijds opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen.

Leg de doorrekening van het scenario daar waar die hoort en niet bij de pensioenfondsen zelf. Draag daartoe de uitvoerders van de HBT voor pensioenfondsen op (middels de te verstrekken informatie) om de tabel van “koopkrachtvectoren” te bepalen tegelijk met het uitvoeren van de HBT, dat is dan een kleine moeite. Die tabel wordt dan ook gegarandeerd aangeleverd aan de pensioenuitvoerder die alleen die tabel dient te betrekken in de rekenarij voor de communicatie en dat komt eenvoudigweg neer op het vermenigvuldigen van de beschikbare aanspraak met een getal uit die tabel. Sta pensioenfondsen toe dat daarbij de cijfers van de laatste HBT worden gebruikt.

Voordelen:

De voordelen van bovenstaande werkwijze zijn legio. Als eerste wordt een en ander (in ieder geval binnen de pensioenwereld) echt uniform waardoor de resultaten voor een deelnemer goed optelbaar zijn.  Ten tweede communiceert het pensioenfonds zo een boodschap die de gemiddelde deelnemer wel kan begrijpen. Ten derde wordt het pensioenfonds niet gedwongen een onlogische en inconsistente boodschap te communiceren met alle afbreukrisico’s van dien.

Het scheelt bovendien minimaal 23 miljoen aan ICT kosten die de pensioenfondsen op een andere manier kunnen aanwenden omdat het veel beter uitvoerbaar en dus goedkoper is. En last but not least wordt het veel beter begrijpbaar voor een deelnemer, die met de extra informatie ook alleen wordt geconfronteerd als zijn of haar pensioen steeds meer in zicht komt.

Samenvattend zou ik willen oproepen tot bezinning. Het geheel aan voorgenomen regelgeving schiet thans volstrekt haar doel voorbij. Ook hier geldt: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.

Als er dan toch bezint zou worden en de HBT regelgeving mee wordt aangepast zou het heel zinvol zijn om het koopkrachtkader met referentie per 1-1-2015 (artikel 30) in de HBT regelgeving aan te passen. Mijns inziens lopen URM en HBT hier ook niet synchroon.

Op persoonlijke titel,

Alec Balledux, AAG

Actuaris op het raakvlak van ICT en actuariaat bij AxyWare B.V.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *